|

Dit is de vierde aflevering over dingen die me opvielen bij het lezen van Augustinus' Belijdenissen. 16. Genieten van de natuur? Een ander punt waar Augustinus heel ver gaat in zijn afwijzen van de geschapen werkelijkheid, is het genieten van de natuur. Als iets hem opvalt, bijvoorbeeld een hond die een haas achterna jaagt, dan vindt hij dat dit hem of direct tot gedachten over God moet brengen, of dat hij er helemaal aan voorbij moet gaan.
Dit is naar mijn idee weer een voorbeeld van te weinig waardering voor de lichamelijkheid van de mens. Het lijkt me onmogelijk dat de natuurpsalmen in de Bijbel geschreven zouden zijn met de instelling van Augustinus. 17. Offeren wat God geeft Een andere prachtige gedachte: “Ik wil u de dienst van mijn gedachten en van mijn tong offeren. Geef mij, wat ik u kan offeren.” Hier spreekt het verlangen om helemaal voor God te leven, gekoppeld aan de realisatie dat we alleen dat aan God kunnen geven, wat we eerst van Hem ontvangen hebben. 18. God bestaat, maar bestaan wij wel? We weten uit de schepping wat goed is en wat mooi, zegt Augustinus. Daardoor weten we dat God goed is en mooi. Maar in vergelijking met de Schepper, kan de schepping nauwelijks goed en mooi genoemd worden. Augustinus gaat nog een stap verder, en betrekt dat ook op ‘zijn’. “Bestaat God?” is een vraag die mensen soms stellen. Augustinus bekijkt het van de andere kant. God bestaat zo intens, dat vergeleken met hem, de schepping niet bestaat. 19. Tijd en eeuwigheid Augustinus schrijft een ongelofelijk briljant stuk over het concept ‘tijd’. Dit is een van de dingen waarmee hij grote invloed uitgeoefend heeft niet alleen op de theologie maar ook op de filosofie in vele eeuwen daarna. Hij laat zien dat eeuwigheid niet het altijd voortduren van tijd is, maar dat eeuwigheid de tijd omsluit en dat verleden, heden en toekomst geen zinvolle begrippen zijn in de eeuwigheid. |